Natuurmonument De Beer

Uitbreiding aan noord- en zuidkant

De aanleg van de Nieuwe Waterweg had ook effect op de afvoer door de zuidelijk van De Beer gelegen Brielsche Maas. Hiervan nam de stroomsnelheid en de waterhoogte sterk af. De zuidkant van De Beer kon zich door het rustiger water sterk uitbreiden. Het resultaat: uitgebreide rietgorzen en biezenvelden. De aanleg van de Nieuwe Waterweg betekende ook de aanleg van kilometers lange strekdammen. Direct ten zuiden van de zuidelijke dam was daardoor de eroderende werking van zeestromingen sterk verminderd. Dit leidde tot een voortdurende landaanwas aan de west- en zuidkant van De Beer. De afvoer van de Nieuwe Waterweg zorgde bovendien voor een continue aanvoer van slib. De westkant van De Beer bestond daarom uit zand dat min of meer rijk aan slib was.

De gedeeltelijke duinenrij dateerde waarschijnlijk al van voor het graven van de Nieuwe Waterweg. Zij was, in ieder geval nog voor de Tweede Wereldoorlog, onregelmatig en onderbroken, zo blijkt ook uit de topgrafische kaarten van 1880 en 1935. Periodiek hoogwater en stormvloed hielden de duinenrij in deze hoedanigheid. Ook hier vond landaanwas plaats die vooral leidde tot een vergroting van het oppervlak met schorren en gorzen, maar niet tot nieuwe duinvorming. Bovendien naar de kust toe was hier sprake van een geleidelijke overgang van een zout naar een brak en tot slot zoet milieu. De grote vogelaantallen zorgden bovendien voor bemesting, zodat over het algemeen de voedselijkdom van de bodem hoog geweest zal zijn.

De Beer in beheer bij een eigen stichting

Begin van de jaren dertig was de Scheurpolder — waar beheerstechnisch ook De Beer bij behoorde — door Domeinen nog steeds verpacht aan de NV tot Exploitatie van den Scheurpolder. Het pachtcontract liep echter eind 1934 af. Reden dat onder andere de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten zich bij monde van haar voorzitter Van Tienhoven inspande om van De Beer een natuurmonument te maken. ook de rentmeester van Domeinen onder wiens verantwoordelijkheid het begied viel, Heymeijer, soande zich in om het gebied als natuurgbeid erkend te krijgen. Zo ontving de minister van Economische Zaken en Arbeid, Terschuur, brieven en rapporten waarin op de bijzondere betekenis van De Beer werd gewezen. De minister zag wel wat in de suggesties om van De Beer een soort staatsnatuurmonument te maken.

In 1935 was het zover: de Stichting Natuurmonument De Beer werd in het leven geroepen. De stichting had maar een doel: De Beer beheren. Voorzitter van het bestuur werd G.J. Heymeijer, rentmeester van Domeinen in Klundert. De samenstelling van het bestuur was zodanig dat de verschillende belangen die bij De Beer een rol speeldn, vertegenwoordigd waren. Volgens artikel 2 van de statuten was het doel van de stichting: 'de bescherming en instandhouding van het "Natuurmonument de Beer", gelegen in de Scheurpolder aan den Hoek van Holland (gemeente Rotterdam).' Artikel 3 vertelde hoe de stichting dit doel wil bereiken. Zo is onder andere sprake van het 'aanstellen van één of meer bewakers' en het 'regelen van bezoek'. Uitdrukkelijk werd ook gesproken over het doen van wetenschappelijk onderzoek en het ondersteunen daarvan.

Goed werk door de stichting

Eind 1936 kwam het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer met een belangrijke maatregel. Voor het eerst werd het bezoek aan De Beer gereglementeerd in de vorm van een 'Reglement op het bezoeken van het Natuurmonument "de Beer" te Hoek van Holland'. Het was vooral bestuurslid Drijver die zich hiervoor beijverde. Hij ging zelfs zo ver dat hij stelde: 'Ook de Bestuursleden dienen zich te kunnen legitimeren'. Wij kunnen in het reglement lezen dat vanaf dan altijd een toegangsbewijs nodig is. Deze moesten ook van tevoren worden aangevraagd bij het 'Bestuur der Stichting'. De toegangsbewijzen werden pas verstrekt, nadat het vereiste geld was ontvangen. Een dagkaart kostte 50 cent en een gezelschapskaart 2,50 gulden; voor die tijd toch aardige bedragen. In de broedtijd, van 15 april tot 1 augustus, waren groepen van meer dan vijf personen niet toegestaan en buiten de broedtijd mochten de groepen hooguit uit 20 personen bestaan. Het terrein mocht bovendien slechts via het overzetveer vanuit Hoek van Holland betreden worden. Verder was er een verbod op kamperen en fotograferen en honden warenn op De Beer ook niet gewenst. De bewaking van het terrein was in handen van Siem de Jager samen met de oud-rijksveldwachter A. Haaksman als assistent. Deze waren in de jaren in daarvoor ook als bewakers op De Beer aanwezig. Zeker is wel dat het toegangsbeheer tot De Beer heeft bijgedragen tot de voorspoedige ontwikkeling van De Beer in de tweede helft van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Kon het maar altijd zo blijven

Rotterdam was aan het eind van de jaren dertig de grootste haven van het vasteland van Europa en na New York en Londen zelfs de derde haven ter wereld. Vooral de krachtige industriële ontwikkeling in het Ruhrgebied was voor Rotterdam van grote betekenis. Zo gingen kolen vanuit Duitsland via Rotterdam naar elders, terwijl ijzererts uit Zweden en Spanje op grote schaal naar Duitsland ging. De economische expansie van Duitsland in de jaren dertig was een zegen voor de Rotterdamse haven. Toch waren er ook nadelen: het is overwegend massagoed, het ging om grote volumes met een geringe toegevoegde waarde. Men had zich in Rotterdam al voor de Eerste Wereldoorlog gerealiseerd dat het éénzijdige ontwikkeling was. Dit was ook de reden dat Rotterdam probeerde industrie aan te trekken. Niet alleen aanvoer en doorvoer, maar ook verwerking van aangevoerde grondstoffen zou de Rotterdamse haven een solidere basis moeten geven. Dit was ook de reden dat Rotterdam al lang daarvoor, in het begin van de twintigste eeuw, probeerde om hoogovens in Rotterdam gevestigd te krijgen. Zonder succes: een trauma - want zo mogen we het wel noemen - dat later medebepalend voor het noodlot van De Beer zou blijken te zijn.

Ontwikkeling Rotterdamse haven ging onverdroten voort

Vanaf 1880 maakte de Rotterdamse haven een stormachtige groei door met de aanleg van de Rijnhaven (1894), de 1ste en 2de Katendrechtse haven (1895), de Maashaven (1905), de Parkhaven (1909), de Schiehaven (1909), de Sint Jobshaven (1909), de Koushaven (1911), de IJsselhaven (1915), de Keilehaven (1915), de Lekhaven (1915), de Waalhaven (1931), de Merwehaven (1932) en de 1ste Petroleumhaven (1933). Vooral de aanleg van de immense Waalhaven met zijn wateroppervlakte van ruim 300 ha betekende een aanzienlijke schaalvergroting. Met de aanleg van de 2de Petroleumhaven werd in 1939 wel begonnen, maar de oorlog verhinderde de voltooiing. Uiteindelijk zou deze haven pas in 1949 gereed zijn. Het havenoppervlak verzesvoudigde in de periode 1880-1940. In 1940 bedroeg het oppervlak aan haventerreinen in de Rotterdamse haven bijna 2000 ha.

Vervolg 1940-1955

Laatste wijziging

15 oktober 2018

Terzijde

Vogelplaat

De Vogelplaat aan de zuidkant van De Beer en grenzend aan de Brielsche Maas was een moerassiggebied met getijdenwerking. Het was daardoor zeer verraderlijk.

 

Hert Groene Strand

Het Groene Strand was een schaars begroeide zandvlakte die periodiek overstroomde.