Natuurmonument De Beer

De eerste verhalen

In 1955 ontstonden bij het Rotterdamse havenbedrijf de eerste gedachten over de aanleg van nieuwe havens op de kop van Rozenburg. In 1956 circuleerden de eerste tekentafelplannen. Op de bestuursvergadering van de Stichting Natuurmonument De Beer van 15 juni 1956 kwamen de bedreigingen voor De Beer voor het eerst aan de orde. Bestuurslid J. Bakker: 'Hoewel officieel daaromtrent echter nog niets bekend is, waar de nieuwe haven ongeveer zal komen en wat de gevolgen daarvan zullen zijn voor De Beer.' Al maanden eerder was de zaak besproken in de Contact-Commissie, nadat van de NJN'er Peter Nijhoff een brief over de mogelijke aanleg van een olieleiding en/of een oliehaven was ontvangen. Al deze bestuursleden wisten er echter weinig van. Verrassend want niet veel later verscheen in de Toeristen Kampioen van 15 juli 1956 een artikel met de titel 'De Beer, ons mooie vogelreservaat, is in gevaar!'. Op basis van eerder gepubliceerde informatie is men tot de conclusie gekomen dat 'aanleg van een vierde petroleumhaven op de kop van Rozenburg noodzakelijkerwijs zou moeten leiden tot aantasting van het vogelreservaat De Beer'. De Toeristen Kampioen had ook navraag gedaan bij de Provinciale Planologische Dienst In Zuid-Holland, waar een en ander bevestigd werd: 'en helaas zal De Beer het kind van de rekening worden.' En: 'Men krijgt de indruk dat er geen twijfel meer mogelijk is of De Beer moet als verloren worden beschouwd.' Daar is toch weinig aan mis te verstaan.

De Suezcrisis: een kans voor open doel

Medio 1956 brak de Suezcrisis uit. Egypte bezette de zone van Suezkanaal en er brak oorlog uit. Het onmiddellijke gevolg van de oorlog was dat het kanaal enige maanden gesloten was. Olietankers uit de Perzische Golf moesten nu op weg naar West-Europa de veel langere route rond Kaap de Goede Hoop volgen. Plotseling was de capaciteit aan tankers volstrekt onvoldoende. Dit leidde tot de bouw van veel grotere tankers om het transport rendabel te houden. Gevolg was ook dat Rotterdam zijn plannen moest opschalen om toegankelijk te blijven voor de veel grotere tankers. De Goey zegt hierover in zijn proefschrift Ruimte voor industrie uit 1990: 'De (tijdelijke) blokkade van het Suezkanaal is achteraf gezien van zeer grote invloed geweest op de verdere ontwikkeling van Europoort, vooral wat betreft het ontwerpen van de toegangshaven en de insteekhaven.' Het was voor Rotterdam een kans voor open doel. Rotterdam durfde bovendien nu naar buiten te komen met plannen die veel verder gingen dan slechts een tankerhaven.

De geboorte van Europoort

In november 1957 kwam het college van Rotterdam met plannen naar buiten, waarbij gesproken werd van vier 're'le aanvragen.' Genoemd worden als aanvragen: 1) voor terreinen voor de opslag van aardolie; ['ernstige gegadigden' voor 315 van de 340 ha]; 2) voor een hoogovenbedrijf annex staalfabriek, walswerk en een cokesovenbedrijf; [315 ha]; 3) voor een groot opslagbedrijf voor kolen en erts, aan te voeren o.a. uit Amerika; [voor de helft van de 120 ha is 'belangstelling'] en 4) voor een scheepsreparatiebedrijf voor de grootste schepen.' Koomans merkte op dat het gebied voor het hoogovenbedrijf op de kop van Rozenbrug moet komen 'in het bijzonder vanwege de geografische ligging en de goede funderingsgrond.' Wie die bedrijven overigens precies waren, zou nog lange tijd duister blijven. De havens moeten berekend zijn op een scheepsgrootte tot 80.000 ton, met afmetingen van 260x38 meter een diepgang van 14 meter (beladen), 15.50 m havendiepte.

Er is weinig tegenin te brengen

De enige die zich van het begin af drukte maakte over de plannen was de Contact-Commissie. De Contact-Commissie (CC) was in 1932 in het leven geroepen; de voornaamste taak was aanvankelijk om bij de overheid aan te dringen op aanpassing van plannen op het terrein van ruimtelijke ontwikelingen, zoals inpoldering, ruilverkaveling en kanalisering van beken en daarmee (meer) rekening te houden met de natuur. In feite was de CC in deze tijd het milieugeweten van Nederland, maar de invloed van de CC was beperkt. Van der Goes van Naters, kamerlid voor de Partij van de Arbeid was tevens voorzitter van de CC. Hij stelde een aantal malen kamervragen over de plannen op Rozenburg, maar tot een discussie in de Kamer kwam het niet. De CC bleek niet bij machte om de plannen tegen te houden en zelfs niet om ze te laten aanpassen.

Een te beleefd bestuur

Het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer onderging het gelaten en beleefd. De laatste voorzitter van het bestuur, Van der Meer, deed voortdurend uitspraken in de trant van: 'Het zal allemaal niet zo'n vaart lopen.' Het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer speelde overigens een merkwaardige rol. Het kon bijna niet anders of bij sommige leden van het bestuur moesten de plannen en de gevolgen al in een vroeg stadium bekend zijn geweest. Dit gold in ieder geval voor bestuurslid H. Bakker, als directeur van de afdeling Domeinen van het ministerie van Financiën. Wie zeker op de hoogte geweest moet zijn, was de rentmeester van Domeinen, Kluytenaar. Ook Van der Meer, die in 1958 voorzitter van het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer werd, moest al jaren goed ge'nformeerd zijn geweest van wat zich afspeelde. Het bestuur maakte zich uiteindelijk druk over compensatie: compensatie van gebied, maar vooral van gebouwen. Het bestuur was daarbij volgzaam, wilde geen moeilijkheden maken en wilde niet hinderen.

Het bestuur van Stichting Natuurmonument De Beer stelde zich dus terughoudend op en geloofde bovendien nog lange tijd dat een groot deel van De Beer behouden zou blijven. In werkelijkheid lagen in 1957 de volledig uitgewerkte plannen al klaar; hieruit bleek dat er van De Beer vrijwel niets zou overblijven.
De kranten reageren in de periode 1956-1958 nogal verschillend op de uitbreidingsplannen van de Rotterdamse haven. Sommige bladen benadrukten het belang van het behoud van natuur en van recreatiemogelijkheden. Het merendeel van de bladen zag het echter somber in. De houding ten opzichte van de Rotterdamse plannen was weliswaar kritisch, maar men zag De Beer al bij voorbaat als sluitstuk van het proces geheel verdwijnen.

Een voortvarende aanpak

Minister-president Willem Drees gaf op 11 juni 1958 het startschot voor de eerste fase van de aanleg van Europoort door de eerste dragline in werking te stellen. Het werk aan Europoort werd ingeluid met sirenegeloei en explosies door het opblazen van twee bunkers. Enige maanden later, op 13 september, gaf ook koningin Juliana nog een keer acte de présence door het sein te geven voor het begin van de baggerwerkzaamheden in Europoort. Het was hierbij het eerste gedeelte van De Beer dat ten prooi viel aan de werkzaamheden. Een gebied van 175 ha in het oostelijk deel van De Beer, zo'n 20% van het totale oppervlak van De Beer, werd vergraven en opgespoten.

Achteraf gezien was de ondergang van De Beer met het plan-Botlek al in 1947 aangekondigd. Met het plan-Europoort in het midden van de jaren vijftig werd de ondergang in gang gezet. De gemeente Rotterdam kwam met grootse plannen. De regering was vanaf het begin de regie kwijt; die lag in Rotterdam. De Suezcrisis medio 1957 bood de gemeente Rotterdam bovendien een unieke kans om nut en noodzaak van diepe zeehavens aan te tonen. De drijvende krachten, burgemeester Van Walsum en de opeenvolgende directeuren van het Havenbedrijf, speelden een geslepen spel. Plannen gingen als voldongen feiten over tafel. De Beer verwerd daarbij in de termen van de Rotterdamse bestuurders tot een 'recreatieterrein'.

Rotterdam stoomt onverdroten door

Onderwijl namen de plannen van de gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf steeds vastere vormen aan. Men verzekerde zich van de steun van de regering, hoewel de indruk was dat de regering een beetje achter de (Rotterdamse) feiten aanhobbelde. Van een samenhangende langetermijnvisie was in Den Haag in ieder geval geen sprake. In de loop van 1958 werd steeds meer bekend over de Rotterdamse plannen: niet alleen tankerhavens, maar mogelijk ook een staalfabriek en hoogovens. Het bekende natuurprogramma Weer of geen weer had in zijn radio-uitzending van 4 augustus 1957 De Beer als onderwerp. De aanleg van een nieuwe haven is een, maar dan ook nog een staalfabriek en zelfs hoogovens zou de doodsteek voor De Beer betekenen, zo is de boodschap in het programma. Het herfstnummer 1957 van Natuur en Landschap, het blad van de Contact-Commissie, was vrijwel geheel aan De Beer gewijd. Een uitgebreid artikel van De Voogd, de rentmeester van De Beer, onder de titel 'Laat De Beer De Beer blijven' en een artikel van De Wit, secretaris van de Contact-Commissie en tevens redactielid van Natuur en Landschap, met als titel 'Wat gebeurt er met De Beer?'. Het mocht allemaal niet veel baten. In november 1957 werden de uitgewerkte plannen aan de gemeenteraad ter goedkeuring voorgelegd. Het leverde bij de leden van de gemeenteraad nauwelijks kritische geluiden op. De aanleg kon beginnen; de ontmanteling van De Beer was aanstaande.

Kenmerkend aan het Europoortplan was dat het werd ondersteund met grote verhalen en bovendien in grote haast naar buiten werd gebracht. De gemeente oefende zware druk uit op de nationale overheid om het gerealiseerd te krijgen. Grote oppervlakken werden geclaimd, zonder dat Rotterdam volledige opening van zaken gaf over de te vestigen bedrijven. Later bleken grote delen van de gerealiseerde terreinen lange tijd leeg te blijven: de bedrijven kwamen niet! Uiteindelijk gebeurden gedeeltelijk heel andere dingen met de terreinen. En dan nog de vestiging van een hoogovenbedrijf en een staalfabriek. Hiermee had een oude wens van de gemeente Rotterdam in vervulling moeten gaan. Het bleek echter dat opeenvolgende commissies en onderzoeken niet tot een levensvatbaar plan, laat staan tot een kandidaat leidden. Het deel van De Beer dat ooit bedoeld was voor de hoogovens annex staalfabriek ligt nu in Europoort nog steeds gedeeltelijk leeg.

Schaalvergrotingen

De vraag rijst of de ontwikkeling van de Rotterdamse haven in deze periode het gevolg is van strategie of van pragmatisme. Posthuma heeft daar in 1972 in het boek 'Rotterdam Europoort 1945-1970' antwoord op gegeven. Hij stelde daarin dat het besluit tot de aanleg van Europoort in hoge mate gestuurd was door het voornemen van de aanleg van de oliepijpleiding van Wilhemshaven naar het Ruhrgebied. De achterliggende gedachte hierbij was dat Rotterdam toegankelijk moest blijven voor de grootste schepen en dat dus havens vlak aan zee noodzakelijk waren. Posthuma vatte dit zelf samen als pragmatisme, maar wel vanuit een filosofie. Na de oorlog had Rotterdam de vestiging van olie-industrie en aanverwante chemische bedrijven krachtig gestimuleerd. De schaalvergroting in deze industrietak, nog versneld door de Suezcrisis, dwong Rotterdam ertoe om, zoals Posthuma het zei, 'dit apparaat aan te passen aan de schaalvergrotingen'. Het zou de laatste keer blijken te zijn dat zo'n rigoureuze ingreep in de natuur in Nederland zou plaatsvinden ten gunste van economische expansie. Het is een schrale troost.

Het begin van een langdurige aftakeling

Vanaf januari 1958 vonden formele besprekingen plaats tussen de Stichting Natuurmonument De Beer en de gemeente Rotterdam over de Rotterdamse uitbreidingsplannen. Het zijn achterhoedegevechten. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de kaarten die de tekentafels van het Gemeentelijk Havenbedrijf verlaten. De Beer was hierop al teruggebracht tot het minuscule stukje dat er later inderdaad van zou overblijven. Het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer was echter van dit alles nog onwetend en dacht dat De Beer, althans gedeeltelijk, nog te redden zou zijn. De Rotterdamse gemeenteraad kreeg op 18 maart een nota over de uitvoering van het eerste gedeelte van de eerste fase van het plan-Europoort voorgelegd. Hiervoor was 65 miljoen gulden nodig, voor onder andere de aanleg van de 4de Petroleumhaven, de Ertshaven (later Beneluxhaven geheten), een deel van het Calandkanaal en de aantakking op de Nieuwe Waterweg. Volgens de planning zou het geheel eind 1960 opgeleverd moeten worden.

Einde van het verhaal

Het duurde allemaal wat langer, maar het einde van De Beer was niet tegen te houden. Het landschap van De Beer verdween langzaam en er kwam een desolaat haven- annex industriegebied voor terug. Het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer voerde nog wat achterhoedegevechten, er werd wat met miljoenen geschoven en dat was het dan. Op 1 januari 1964 sloot het natuurmonument De Beer defintief voor bezoekers. De Beer was weliswaar nog niet volledig van de aardbodem verdwenen. maar het was niet langer verantwoord er nog beoekers te laten rondlopen. De werkzaamheden waren te ver opgerukt.

De Stichting Natuurmonument De Beer had inmiddels een heel pakker andere natuurgebieden onder zijn hoede en richtte zich vol enthousiasme daarop. Maar ook daaraan kwam een eind. De stichting die door de overheid in het leven was geroepen om een natuurgebied te beheren, werd op 1 januari 1975 opgeheven, zestig jaar na zijn merkwaardige ontstaan.

 

Wat er nog resteertDe Beer revisted

 

Logo natuurmonument De Beer

Laatste wijziging

15 oktober 2018

Terzijde

Topografische kaart 1958

De Beer op de topografische kaart van 1958: de Chinese muur en de inpoldering zijn duidelijk zichtbaar.

Download deze afbeelding voor persoonlijk gebruik:
2530 x 3405 px, 8.8 MB

 

Europoortplan versie 0

Mogelijk de eerste schets voor het plan voor Europoort; het heette toen nog Tankerhaven, begin 1956. Stadsearchief Rotterdam.

Download deze afbeelding voor persoonlijk gebruik:
4846 x 4339 px, 8.8 MB

 

 

Het allereerste echte plan voor Europoort, waarschijnlijk mei 1956. Gemeentearchief Rotterdam.

Download deze afbeelding voor persoonlijk gebruik:
5745 x 2205 px, 7.3 MB

 

Het is zover! Een opening met de Nieuwe Waterweg, ongveer ter hoogte waar ooit het huis van opzichter Korfmaker stond. Foto Stadsarchief Rotterdam.

 

Afbraak De Beer

 

Afbraak De Beer

 

Afbraak De Beer

 

Afbraak De Beer

 

Afbraak De Beer

Merkwaardig: opzichter Korfmaker kon er geen genoeg van krijgen. Tientallen dia's maakte hij van de graafwerkzaamheden op De Beer. De teloorgang van De Beer werd door hem minutieus vastgelegd. Foto's Wabe Korfmaker, collectie Ed Buijsman.