Natuurmonument De Beer

M'n moeder heeft me dikwijls verteld dat ik, nog geen drie jaar oud, altijd bezig was met heel kleine beestjes. kleine slakjes, spinnetjes, duizendpooten. oorwormen, pissebedden en ander gedoe. Ze waren m'n speelkameraden, waarvoor ik huisjes en nestjes bouwde en waar ik uren, dagen lang zoet mee was. M'n verontwaardiging steeg ten top als een tante, een kennis iets beweerde van vieze beesten. “Se sijn niet fies, se sijn lief” dat waren woorden, die in m'n mond bestorven lagen en ik kan me niet herinneren dat er ooit een dier was, dat een indruk van griezeligheid op me maakte. Natuurliefde. bewondering en belangstelling voor het natuurgebeuren. voor heel de Schepping was me ingeboren, werd me trouwens met de paplepel ingegoten. Het moet niet als ondankbaarheid beschouwd worden als ik zeg geen “opvoeding genoten” te hebben. Neen, opvoeding zooals dat meestentijds verstaan werd en die wel hoofdzakelijk bestond in maniertjes leeren en het zich aanpassen en persen in het harnas van wat wij de beschaving van het Westersche Barbarendom zouden kunnen noemen, maar die geen inhoud, geen diepte aan ons leven geeft; van deze soort opvoeding bleven m'n broer en ik gespeend. En wat er dat door kleine en groote voorbeelden in ons gesterkt werd, dat door vader en moeder tot duidelijker bewustwording kwam, wat ons voorgehouden en ingeprent werd: dat was de eerbied, het ontzag voor alles wat leeft, diep respect voor het “Leven”.

M'n jeugd sleet ik grootendeels buiten. Op lange wandelingen met m'n ouders leerde ik de omgeving van mijn' geboorteplaats Haarlem, zoo rijk aan levend natuurschoon, kennen en bewonderen, leerde ik de dingen zien en genieten. In de winteravonden las moeder voor uit: "Sloot en Plas", "Door het Rietland" en de andere boeken van Heimans en Thijsse en deze beiden hebben er in niet geringe mate voor gezorgd, dat belangstelling groeiende bleef. Later zwierf ik met m'n school zien kameraden of veel alleen; een der plekjes welke een fascineerende aantrekkingskracht op mij uitoefende was de Brouwerskolk bij Overveen en heel veel aardige of aantrekkelijke voorvallen en waarnemingen uit het leven van plant en dier, waar ik thans nog dagelijks op teer, zijn onverbrekelijk verbonden aan de oude duinplas aan de voet der duinen.

Nog altijd denk ik met groot genoegen terug aan die dagen van verre ontdekkingstochten in de Bloemendaalsche en Vogelenzangsche duinen of in het rietland langs de oevers van Mooie Hel, Spaarne en Liede. Later werden die zwerftochten uitgestrekt tot in de duinen van Wassenaar, Castricum, Bergen en Schoorl; Thijsse wees ons den weg naar de Waddeneilanden, Steenhuizen bracht ons in vervoering door de geweldige broedplaatsen en de vogelrijkdom van de .,Beer" aan den Hoek van Holland en de schilderachtige eendenkooi “Lekzicht”, de beroemde Aalscholver kolonie aan de Lek. En nog later leerde ik de Geldersche bosschen, de Achterhoek, Zuid-Limburg, het Brabantsche vennengebied en het Friesche waterland waardeeren. Maar de zee en de duinen blijf ik trouw; ik beschouw het nog steeds als een zeer groot voorrecht aan de duinkant te mogen wonen en werken.

In m'n schooljongenstijd ging mijn belangstelling wel voornamelijk uit naar de vogels, op den duur raakte ik ook meer en meer geboeid door het leven van de planten. Toen kwamen de eerste vogelfoto's van Steenhuizen en verscheen het fijne boek van Thijsse “Het intieme leven der vogels” met het uitstekende fotowerk van Tepe. Direct hunkerde ik er naar dergelijke fotos te maken. Van vader leende ik een zware 18 X 24 statief-camera, totaal ongeschikt voor het doel en hiermede gewapend heb ik toen een paar jaren achtereen gepoogd nesten en vogels te kieken. Het resultaat was bedroevend en niet evenredig aan de vele moeite. welke het gekost had. Toen ik een meer geschikt toestel op den kop tikte ging het wat beter en dat hield de moed er in.

Jaar in, jaar uit fotografeerde ik nesten en eieren. vogels en hun jongen, planten, insecten, landschappen, eigenlijk alles wat los en vast was. Heel wat uurtjes brachten m'n vrienden en ik door in kleine schuiltentjes van waaruit we de vogels trachtten te fotografeeren. Deze oogenblikken, oog in oog met de levende, wilde en schuwe vogel zijn onvergetelijk. Toch was de foto, het plaatje geen hoofddoel; het was me voornamelijk om het gedrag, de levensgewoonten der vogels te doen, wat te zien van hun wonderlijk leven en, ja, als het kon iets vast te leggen opdat ook anderen mee konden genieten. In 1923 probeerden we voor het eerst de vogels te filmen, een kort (maar zeer gebrekkig) filmpje van de voornaamste vogelfiguren uit Kennemerland was het resultaat.'

 

Logo

Laatste wijziging

15 oktober 2018

Terzijde

Strijbos in de duinen

Jan Pieter Strijbos bij zijn schuilhut. Amsterdamse Waterleidingduinen, 1927. Foto collectie Ed Buijsman.

 

Strijbos op De Beer

Strijbos op de strand van De Beer waarbij hij wordt aangevallen door een visdief, 1930. Foto collectie Nederlands Fotomuseum Rotterdam.

 

Strijbos op de tandem

Strijbos met zijn vrouw Emilie op de tandem, 1940.
Foto Frans Kooijmans, collectie Roald Kooijmans.