EditRegion4

De rol van H. Bakker bij de inpoldering tijdens de Tweede Wereldoorlog

Archiefonderzoek heeft in 2014 nieuwe informatie opgeleverd over de kwestie van de inpoldering van het zuidelijk gedeelte van De Beer tijdens De Tweede Wereldoorlog en dan vooral over de rol van H. Bakker. Toch is daarmee de precieze gang van zaken nog niet geheel duidelijk. Waar ging het ook al weer om? Er bestonden al voor de Tweede Wereldoorlog plannen om een deel van De Beer in te polderen. Het belangrijkste doel was om zodoende landbouwgrond te maken. Deze plannen waren opgesteld door K.H. van Beek, rentmeester van Domeinen in Klundert en sinds maart 1940 tevens voorzitter van het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer. Tijdens de Duitse bezetting ontstond een voor De Beer zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden toen de Duitsers onder andere op De Beer omvangrijke verdedigingswerken als onderdeel van de Atlantikwall wilden bouwen. Uiteindelijk is de inpoldering van d zuidkant van De Beer ter grootte van 300 ha tot stand gekomen in een onduidelijk samenspel van een aantal ministeries, diverse onderdelen van de dienst der Domeinen, het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer. en diverse Duitse instanties. Alleen de rol van het bestuur in deze kwesties is goed gedocumenteerd, omdat de bestuursverslagen en de meeste correspondentie bewaard is gebleven. De rol van het bestuur is uitgebreid besproken in 'Een eersteklas landschap', zie hiervoor vooral de pagina's 49-62.

Er zitten op het personele vlak een aantal opmerkelijk zaken aan de inpoldering. Zoals hiervoor al gezegd, was K.H. van Beek rentmeester van Domeinen in Klundert én bedenker van het eerste inpolderingsplan, maar tevens voorzitter van het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer. Dit bleek een ongelukkige combinatie. Onder druk van de bestuursleden moest Van Beek zich tegen de inpoldering verklaren, maar uit hoofde van zijn functie als rentmeester was hij de bedenker van een inpolderingsplan. Zijn niet altijd gelukkige optreden tijdens de oorlog zou hem na de oorlog dan ook zijn functie in het bestuur kosten. Een andere actor in het verhaal is H(endrik) Bakker, hoofd van de Dienst Domeinen. Al in 1941 raakte hij bij de discussies betrokken. En in 1942 was Bakker samen met Verhoeven, hoofd van het Technisch Bureau van Domeinen en formeel ontwerper van de plannen, bij een bestuursvergadering van Stichting Natuurmonument De Beer aanwezig om de plannen nog eens toe te lichten. Bakker liet daarbij geen enkel misverstand over de uitvoering; dat is allemaal al beklonken.

Na de oorlog zou Verhoeven in een artikel in het blad 'Weg en Waterbouw' de gang van zaken tijdens de oorlog nog eens uitgebreid bespreken en verdedigen. Opnieuw werd hier het argument van de noodzakelijke landbouwgrond in stelling gebracht. Merkwaardig is dat Verhoeven de rol van de Duitsers als verstorend beschreef. Ze hielden de zaak op. Wat Verhoeven hierbij niet vertelde, was dat voor zover sprake was van oponthoud door de Duisters dit was om de plannen meer in de richting van de Duitse belangen om te buigen Vooral de ontwatering was hierbij een belangrijk punt (zie ook 'Een eersteklas landschap', p. 55). De uitleg van Verhoeven was echter niet juist. Verder archiefonderzoek in 2014 heeft namelijk iets meer duidelijkheid over de rol van Hendrik Bakker verschaft.

De rol die Hendrik Bakker ( 1902-1990) tijdens de oorlog had gespeeld, was blijkbaar voldoende aanleiding om tegen hem een onderzoek als onderdeel van de zuivering van ambtenaren in te stellen. Zodoende is er een zuiveringsdossier van H. Bakker. Essentie van het onderzoek is of Bakker een te coöperatieve houding tegenover de Duitsers heeft aangenomen. Een van de punten is de kwestie van de inpoldering. Bakker stelde dat juist de Duitsers de inpoldering noodzakelijk achtten voor de voedselvoorziening. Bovendien zo stelde Bakker ging het om 'een zeer bijzondere gelegenheid voordoend om Nederlandsche waarden (arbeid-kaptiaal) in het land te houden en voor ons land zaken te scheppen. welke na de bevrijding nog steeds van grote beteekenis zou zijn (cultuurgronden van uitstekende kwaliteit)'. En 'na de capitulatie is de balans zoo, dat Nederland drie bijna voltooide polders in bezettingstijd rijker is geworden. Zeer veel arbeiders hebben er jarenlang werk gevonden. Veel aannemersmateriaal is voor deze Nederlandsche oorlogsvoering aangewend en niet voor de Duitschers'.

In het archief ontbreken onderliggende stukken die meer duidelijkheid over de rol van Bakker zou kunnen hebben gegeven. De tegen Bakker ingeediende bezwaren berusten geheel op aanrtijgingen van collega-ambtenaren. Waarom het precies handelde en hoe ernstig een en ander was, kon dus uit dit archief niet worden opegmaakt. Het Centraal Orgaan op de Zuivering van het Overheidspersoneel nam de zaak echter hoog op, want in juni 1946 stelde de Commissie voor om Bakker te ontslaan. Argumenten hiervoor waren onder andere: 'geen principiële houding', niet de Nederlandsche koers' en zijn gedrag was 'risicomijdend' geweest. Kortom niet de houding die van een Nederlandse ambtenaar had mogen worden verwacht, meende de Commissie. Toch liep de zaak voor Bakker uiteindelijk nog redelijk goed af. Hij kwam er vanaf met een schriftelijke, doch niet openbare berisping. Zijn carrière zou er ook geen nadeel van ondervinden.

In 1947 zou Bakker toetreden tot het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer. Bij de plannen voor Europoort zou hij later (opnieuw) een onduidelijke, maar zeker niet altijd positieve rol spelen. In 1967 werd Bakker, na zijn pensionering, secretaris van het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer. Hij zou die functie vervullen tot aan de liquidatie van de Stichting eind 1974.

Terug naar De geschiedenis van De Beer, 1940-1955

Literatuur

  • A.G. Verhoeven (1946) Inpoldering van rietgorzen, kreken en water in de z.g. Pan of Krim op Rozenburg. Weg en Waterbouw 6 (5-6), 55- 58.
  • Nationaal Archief. Archief 'Ministerie van Financiën - Bureau Zuiveringsaangelegenheden', toegangsnummer 2.08.79. Ingezien op 5 maart 2014. [Het archiefdeel van H. Bakker is beperkt openbaar onder letter B]

 

De aanleg van de dijk aan de zuidkant van De Beer met op de achtergrond de Brielsche Maas en in de verte de stompe toren van Brielle. Een klein deel van de gorzen bleef buiten de inpoldering. Merkwaardig genoeg toont deze foto bijna dezelfde achtergrond als de fameuze prent van Voerman uit het Verkade-album 'Onze groote rivieren' uit 1938 (zie onder).

De Beer in Onze groote rivieren

 

22042014