EditRegion4

De Beer voor 1940

De Beer was in eerste instantie een duinlandschap dat overwegend uit kalkrijk zand was opgebouwd. Maar dan wel een jong duinlandschap in een vorm zoals dat in de vroege Middeleeuwen op veel plaatsen langs de Nederlandse kust is ontstaan, de zogenaamde jonge duinen. Het was verder van belang dat De Beer van het begin af aan sterk door de mens was beïnvloed. Bij het graven van de Nieuwe Waterweg kwamen grote hoeveelheden klei vrij. Deze klei was aan de noord en de noordoostkant van De Beer gestort. Ook de omgeving van de Vlierenaan was rijk aan klei. Kunstmatige verhogingen met rijke voedselrijke grond waren het resultaat.

Uitbreiding aan noord- en zuidkant

VogelplaatDe aanleg van de Nieuwe Waterweg had ook nog een ander effect: de afvoer door de Brielsche Maas en daarmee de stroomsnelheid en de waterhoogte nam sterk af. De zuidkant van De Beer kon zich door het rustiger water sterk uitbreiden. Het resultaat: uitgebreide rietgorzen en biezenvelden. De aanleg van de Nieuwe Waterweg betekende ook de aanleg van kilometers lange strekdammen. Direct ten zuiden van de zuidelijke dam was daardoor de eroderende werking van zeestromingen sterk verminderd. Dit heeft geleid tot een voortdurende landaanwas aan de west- en zuidkant van De Beer. De afvoer van de Nieuwe Waterweg zorgt bovendien voor een continue aanvoer van slib. De westkant van De Beer bestaat daarom uit zand dat min of meer rijk aan slib is.

De gedeeltelijke duinenrij dateerde waarschijnlijk al van voor het graven van de Nieuwe Waterweg. Zij was, in ieder geval nog voor de Tweede Wereldoorlog, onregelmatig en onderbroken, zo blijkt ook uit de topgrafische kaarten van 1880 en 1935. Periodiek hoogwater en stormvloed hielden de duinenrij in deze hoedanigheid. Ook hier vond landaanwas plaats die vooral leidde tot een vergroting van het oppervlak met schorren en gorzen, maar niet tot nieuwe duinvorming. Bovendien naar de kust toe was hier sprake van een geleidelijke overgang van een zout naar een brak en tot slot zoet milieu. De grote vogelaantallen zorgden bovendien voor bemesting, zodat over het algemeen de voedselijkdom van de bodem hoog geweest zal zijn.

Grote variatie in landschapstypen

Het De Beer van voor de oorlog kende in grote lijnen een viertal onderdelen. Het strand, inclusief het zogenaamde Groene Strand, het binnenduinengebied, de noordoostkant met de Vlierenlaan en de storten en de zuidkant met de slikken. Het is een ongestoord, dynamisch kustlandschap met overgangen van zee naar strand, schorren en duinen. Ook het belang van de instroom van voedselrijk zoet water via de Nieuwe Waterweg, de Brielsche Maas en het Haringvliet is aanzienlijk. Deze instroom zorgt voor een rijke visstand, onder andere van haringachtigen, het belangrijkste stapelvoedsel van veel kustbroedvogels. En dat alles bij elkaar op zo'n 1300 ha.

Het Groene Strand

Groene strandHet Groene Strand was zoiets waaraan De Beer mede zijn faam te danken heeft. Voor de oorlog zag het er ongeveer als volgt uit. Het strand was ongeveer 3,5 km lang. Het lag voor de stuifdijk tussen paal 121 en paal 122,5 en het was eigenlijk niet meer dan een zeer ijl begroeide strandvlakte. Hier groeide alleen, en dan nog spaarzaam, klein schorrekruid en zeekraal. Het Groene Strand bestond uit een zandige bodem met slib. De noordkant was zeer slibrijk en met kreken doorsneden. Tussen paal 121 en 122 lag pionierduintjes met een slibrijke landtong en begroeid met zeekraal. Tussen paal 120 en 121 lag duindoornbosjes. Het Groene Strand was een dynamisch systeem met lage, primaire duintjes, maar ook met schelpenbanken. Het werd ook nog regelmatig overspoeld. Op het Groene Strand vond bovendien nog duinvorming plaats. Zo strekte zich langs de gehele lengte van het Groene Strand een gordel van pionierduintjes uit. Hierop stonden biestarwegras en loogkruid met incidenteel akkermelkdistel, zeeraket, bitterzoet en zeewolfsmelk. Ook kwamen hier onder andere de zeldzame zeewolfsmelk en de blauwe zeedistel voor. Zo is in het boek 'Het Vogeleiland' te lezen: '… ligt over het lichte strand, en blauwig waas, dat we […] herkennen als een groote vlakte met de prachtige blauwe Zeedistels'. De duintjes op het Groene Strand waren meest niet hoger dan 1 m (=2,50 m boven NAP). Alleen aan de zuidpunt konde ze tot drie meter hoog worden. Maar het waren toch vooral de vogels die het Groene Strand zo beroemd maakten. Het Groene Strand was het broedterrein van de grote sterns, kluten, visdieven, bergeenden, plevieren. De vogels die we tegenwoordig 'gewoon' vinden, waren er natuurlijk ook nog: kieviten, kokmeeuwen, grutto's, scholeksters en tureluurs. Het wa juist hier dat aan alle eisen van kustbroedvogels werd voldaan: een schaars begroeid en open terrein, weinig natuurlijke vijanden en voldoende voedsel voor de verschillende vogelsoorten. Geheel aan de noordkant van het strand lag de Aanspoelselhoek. Dit deel bevond zich in de luwte van de kilometerslange Zuiderpier. Het was daarom een verzamelplaats van van alles dat uit zee komt aandrijven, 'aanspoelsel' dus. Het was dan ook een zeer voedselrijk gebied met de daarbij behorende vegetatie. Zo kon hier onder andere het bilzekruid, de gele hoornpapaver en de reukloze kamille aangetroffen worden.

Overgangen van zout naar zoet

De Beer was in de delen die dicht bij zee waren gelegen, dus een grotendeels leeg landschap met kaal zand, stuifduinen, schelpenbanken, slikken en een schaarse begroeiing. Kortom de kenmerken van het klassieke open, dynamische duinlandschap. Alleen de zuidkant kende in het moeras- en slikkengebied een uitbundige vegetatie van riet en zeebies, maar ook de zeeaster of zulte was daar te vinden. Het gebied werd doorsneden door kreken die door de getijbeweging waren ontstaan. Zij voerden zoet water af van hoger gelegen delen. De overgangen van zout naar zoet gaven natuurlijk aanleiding tot interessante vegetaties. Naast de al genoemde plantensoorten groeiden daar, zo blijkt uit de verslagen, onder andere ook zeealsem, schorrekruid, zeeweegbree, schorrezoutgras, brosse melkdistel, echte heemst en zilt torkruid. Op de slikken aan de zuidwestkant stonden zeekraal en klein schorrenkruid en op de wat drogere of zanderige plaatsen melkkruid en zeepostelein.

Binnenduinen

VlierenwoudMeer landinwaarts deed de dynamiek zich uiteraard minder voelen en waren elementen van de klassieke binnenduinen aanwezig. De Kievitenwei was een uitbundige groeiplaats van de parnassia. Het voorkomen ervan was soms zo overweldigend dat in het boek 'Het Vogeleiland' ook wel werd gesproken over de Parnassiawei. Ook andere planten van de vochtige duinvalleien konden daar worden aangetroffen: de slanke gentiaan, heelblaadje, waternavel. Bij de Vlierenlaan was, afgezien van het prachtige 'vlierenoerwoud', daarentegen niet veel opvallends te beleven. De vlieren vormden een dichte begroeiing, waardoor eronder niet veel ge groeid zal hebben. Natuurlijk was er ook veel struweel van duindoorn en liguster met kruiskruid en melkdistel.

Vervolg De Beer na 1940

Topografische kaart 1880

Topografische kaart 1935

Zie ook voor foto's Landschap De Beer voor de oorlog

Zie voor foto's over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog De veranderingen op De Beer door de oorlog

Duinen van De Beer

 

19062009