EditRegion4

De Beer na 1945

Aanleg zeeweringenDe aanleg van de bunkers voor de Atlantikwall in de oorlog leidde tot een sterk veranderde situatie. De in het westen aangelegde zeewering zorgde er bovendien voor dat de achterliggende duinen bij hoogwater niet meer konden overstromen. De duindoorn kregen daardoor de kans om zich in de binnenduinen sterk uit te breiden. De Kievitenwei was gedeeltelijk van plaats veranderd en bevatte door de veranderde afwateringssituatie nu permanent water. Hetzelfde gold voor Het Breed. Voor de oorlog was dit een zandige, schaars begroeide vlakte die zelfs voor beweiding nauwelijks geschikt was. Het waterpeil kon na de oorlog op Het Breed hoog gehouden worden, waardoor het voor een aantal vogelsoorten een aantrekkelijke biotoop geworden was. Hier broedden vooral weidevogels als tureluur, kievit, grutto, maar ook scholeksters en kemphanen. Uit verslagen blijkt dat Het Breed 's winters als een soort verzamelvat voor elders in het terrein aflopend water fungeerde. 's Zomers viel Het Breed vaak droog. De Klutenplas had echter het gehele jaar water, omdat deze plas vooral gevoed werd door grondwater. En we kunnen verrast zijn over de vogels die al weer in 1945 op De Beer werden aangetroffen. En dat zeker niet alles ten kwade was gekeerd, blijkt ook uit het verslag van Korfmaker van mei 1947: 'Zo is ook de kreekvallei ten oosten van de westelijke dijk tegenover de dijkplas geheel met parnassia begroeid, waartussen duizendguldenkruid bloeit en over het geheel bestrooid is met kleine mooie witte bloempjes met een geel hartje, zodat het gehele terrein er uitziet of ware het behageld.' Maar ook na de oorlog bleek De Beer niet gevrijwaard van ingrepen. Het onder het zand van een aantal bunkers die niet opgeblazen waren, vroeg grote hoeveelheden zand. Dit zand werd weggehaald bij de Middenschans; hierdoor ontstond daar een meertje.

Ook uitbundige plantengroei

Moeraswespenorchis. Foto Jan KoolenHiervoor lazen we al een lyrische beschrijving die Korfmaker gaf van de kreekvallei. En natuurlijk, de faam van De Beer was grotendeels gebaseerd op zijn vogelrijkdom. Dat blijkt ook uit de verslagen van Korfmaker. Maar naast al die uitbundige beschrijvingen van het vogelgebeuren passeerden toch ook wat mooie plantenpassages de revue. Het Breed en ook de duinvalleien zagen er soms prachtig uit. Korfmaker: '…. dan zou iemand die voor het eerst dit ziet en van zo'n landschap houdt, van louter emotie de handen in elkaar slaan.' Het is natuurlijk een dorado voor de watervogels, maar ook voor de plantengroei kan het goed uitpakken. Hier vinden we bijvoorbeeld uitgestrekte velden van de zilte waterranonkel. En wat hiervan te denken: '… aan de oever ten oosten van Kievitenplas zeker een 45 moeraswespenorchideëen omringd door duizendguldenkruid en parnassia, welke zich op deze plaats ook zeer uitbreidt. Er tussen in bloeiden dan de watermunt, wit en geel walstroo enz. zodat dit hoekje voor de plantenliefhebbers(sters) […] een waar paradijsje was..'.

Wat hier te zien was, was het karakteristieke duinmeer en de natte duinvallei, zoals die vroeger op grotere schaal en veel meer dan tegenwoordig in Nederland voorkwamen. Permanente begroeiing ontstond meestal pas als uitstuiving tot het grondwaterpeil had plaatsgevonden. We mogen gevoeglijk aannemen dat dit peil in De Beer hoog heeft gelegen, omdat van enige wateronttrekking aan de duinen op De Beer, voor zover we weten, nooit sprake is geweest. De pionierbegroeiing in jonge, kalkrijke duinvalleien behoorde tot die van knopbiesverbond. De knopbies effende de weg voor het voorkomen van onder andere de vleeskleurige orchis, de moeraswespenorchis, parnassia, geelhartje en sturmia. Uit de beschrijvingen kunnen we opmaken dat inderdaad enkele van deze soorten aanwezig zijn op De Beer. Zo meldde Korfmaker in juni 1949 opgetogen de vondst van de vleeskleurige orchis. Onvermijdelijk was hierbij echter dat, zonder ingrijpen, de plassen geleidelijk aan dichtgroeiden met riet.

Blauwe zeedistel. Foto Jan KoolenVele jaren kwam ook de gele hoornpapaver op De Beer voor; een plant die op De Beer één van zijn noordelijkste groeiplaats in Europa had. Het is een karakteristieke plant voor het begraven vloedkenmerk, evenals de zeeraket en de zeekool. In de luwte van de zeereep vonden we op De Beer verder de blauwe zeedistel en natuurlijk de zeewinde en de zeewolfsmelk. De zuidpunt was daarentegen na de oorlog landschappelijk niet meer van veel betekenis. De bioloog Westhoff merkte hierover op in een beschrijving van de situatie aan het eind van de jaren vijftig: 'Het zijn dan ook maar armzalige overblijfselen van de vroegere vegetaties van Riet (Phragmites communis) en Zeebies (Scirpus maritimus) op het Wijde Slijk.'

Een uitzonderlijke natuur

Alles bij elkaar kunnen we slechts met verwondering kennis nemen van de uitzonderlijke natuurwaarde van De Beer. Het is goed hierbij te bedenken dat we praten over de situatie van na de Tweede Wereldoorlog, toen door het vele onderzoek en de inventarisaties geleidelijk aan een goed beeld ontstond van de vegetatie van De Beer. We kunnen ons daarentegen slechts een flauwe voorstelling maken van het hoe uitzonderlijk het voor de Tweede Wereldoorlog geweest moet zijn.

Wandeling over De Beer, eind jaren vijftig/begin jaren zestig

Topografische kaart 1958

Topografische kaart 2007

Zie ook voor foto's Landschap De Beer na de oorlog

Zie voor foto's over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog De veranderingen op De Beer door de oorlog

 

09052012