EditRegion4

Biografische schets van en door Jan Drijver

[Laatste wijziging: 6 september 2014]

Jan Drijver, 1931J. Drijver, Uit mijn leven.
Uit: De roep der velden, Schoonderbeek, Laren, 1927, pp. 35-38.

'Belangstelling voor de natuur is een eigenschap, die in mijn familie erfelijk schijnt voor te komen; in mijn geval stamt die zoowel van vaders-. als van moederszijde. Aan dien aangeboren aanleg en ook aan de omgeving. waarin ik opgroeide. meen ik het te moeten toeschrijven. dat mijn gevoel voor de levende natuur mij nooit verlaten heeft.

Mijn jeugdjaren heb ik doorgebracht op Texel; op 29 September 1886 werd ik geboren in het dorpje den Hoorn. Aan mijn jongensjaren heb ik steeds de aangenaamste herinneringen behouden en als ik aan dien tijd terugdenk, treden in de eerste plaats naar yoren het familieleven. mijn schoolvrienden. doch ook steeds de omgang met planten en met dieren.

In dien tijd was de natuur van Texel nog veel rijker dan thans, doch menig vogelparadijs was er reeds verdwenen. De herinnering aan het Groote Vlak. bevolkt door lepelaars en reigers, zwarte sterns en bruine kiekendieven, was bij velen nog levendig en hoe kon ik de oogen benijden, die al dat moois hadden mogen aanschouwen. Later heb ik zelf menig vogeloord op het eiland verloren, zien gaan. het Hoornder Nieuwland. den Prins Hendrikpolder, den Bol en binnenkort zal het ook gedaan zijn met den fabelachtigen vogelrijkdom van Waaienburg. De intensievere cultuur heeft wel zware offers van Texel gevergd.

De vlakke polders en het eenzame duinengebied hebben altijd een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uitgeoefend en daar leerde ik mijn eerste vogels kennen, nog voor ik het A. B, C kon opdreunen. Die eerste lessen in de vrije natuur kreeg ik van mijn familieleden. vader en vier broers. welke laatste mij allen in leeftijd en dus ook in kennis van alles. wat er om ons heen leefde. de baas waren. Nu nog. na zooveel jaren, worden bij elke ontmoeting de vogels weer ter sprake gebracht.

Onze belangstelling voor de natuur was niet steeds van zelfzucht vrij te pleiten; het rapen van eetbare vogeleieren werd in dien tijd als iets vanzelfsprekends beschouwd. De toenmalige wet liet de eieren van vele vogelsoorten het geheele seizoen vrij, maar mijn ouders waren in dat opzicht den wetgever ver vooruit. De kleine eieren waren doorloopend “verboden waar”, doch ook de andere mochten slechts gedurende een gedeelte van den broedtijd uitgehaald worden. Het was niet raadzaam na 15 Mei met eieren van tureluurs en scholeksters thuis te komen en de later nestelende sterns moesten na 10 Juni met rust gelaten worden. Vaders argument, dat ieder vogelpaar gelegenheid moest hebben per jaar een vol legsel uit te broeden, zal door alle tijden heen gelden als een der belangrijkste grondbeginselen van een practische vogelbescherming. Ook mochten wij geen bebroede eieren meenemen en die eisch maakte ons al jong vertrouwd met de kunst de eieren te “schouwen of te “peilen”. En al moesten wij in de duinen soms vrij ver loopen om water te vinden, van den geldenden regel weken wij niet af.

Moeder was er nog meer op uit. ons het begrip “vogelbescherming” bij te brengen en ik herinner mij nog goed, dat zij mij een krant ter lezing gaf. waarin de oprichting der Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels vermeld stond. Natuurlijk volgde de vermaning. dat, indien grootemenschen het zoo noodig vonden de vogels te beschermen, wij ons daarnaar toch ook gedragen moesten. Hoe weinig konden zij en ik toen bevroeden, dat ik nog eens deel zou nemen aan den arbeid dier vereeniging!

Onder zulk een leiding kon ons de volle schoonheid der natuur niet onbekend blijven. Nooit zal ik den mooien Meiavond vergeten, toen in de bleeke schemering een kievit zijn minnevlucht ten beste gaf . in onze onmiddellijke nabijheid. Plotseling greep vader mij in den schouder, en, wijzende op den buitelenden vogel met zijn gonzend wiekengeruisch en op het scherpomlijnde silhouet der duinengroepen, sprak hij: “Ik hoop, jongen, dat jij die dingen ook heel je leven mooi zult vinden.” Hoe heb ik toen gevoeld. dat de gevoelens van vader en zoon één waren.

Maar toch scheen er enkele jaren later een zekere kentering te komen, die haar oorsprong vond in valsche schaamte. Dat was, toen ik de lagere school had verlaten en met andere jongens in aanraking kwam. Liefde voor de natuur is nu eenmaal niet ieder toebedeeld en ook nu wordt het nog wel .,kinderachtig" gevonden op te gaan in de schepping. De bekende boekjes van Heimans en Thijsse kwamen mij een hart onder den riem steken en Thijsse vergoedde ons op deze wijze zijn te vroegtijdig vertrek van het eiland. Als zulke mannen boeken gingen schrijven over vogels en vlinders en bloemen, dan behoefden ook wij ons niet langer voor onze liefhebberij te schamen.

De eerste groote verandering in mijn leven is geweest, dat ik Texel heb moeten verlaten. Ik zou opgeleid worden voor den dienst der Posterijen en Telegrafie en dat moest in Rotterdam gebeuren. Is het wonder, dat ik mij aanvankelijk niet bijster thuis gevoelde in mijn nieuwe omgeving?

In Rotterdam begon ik ook mijn ambtelijke loopbaan, doch toen de opleidingstijd verstreken was, verlangde ik meer dan ooit naar het buitenleven terug. Verschillende standplaatsen werden mij aangewezen, voor korteren of voor langeren tijd; meestal het eerste. Die omzwervingen hadden het voordeel, dat ik Nederland beter leerde kennen. Wat een schoonheid toch overal!
In 1910 werd ik werkzaam gesteld aan het kantoor te den Burg en zoo kreeg ik dan andermaal gelegenheid mij in den rijkdom van mijn geboortegrond te vermeien. Maar in de jaren van mijn afwezigheid was er veel veranderd; Texel was “ontdekt” en binnen-en buitenlandsche vogelkundigen kwamen het bezoeken. De eerste, die ik er leerde kennen, waren de heer en mevrouw Burdet, met wie ik menigen vroegen morgen in de duinen en polders heb doorgebracht. Spoedig er na ontmoette ik er ook Mr. P. G. van Tienhoven, den energieken leider van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, die ieder jaar de bezittingen op het eiland kwam inspecteeren. In die ontmoetingen was de tweede groote verandering in mijn leven verborgen; in 1913 ontving ik de uitnoodiging een deel van de werkzaamheden der genoemde vereeniging voor mijn rekening te nemen. Tegen December van dat jaar zegde ik Texel en den postdienst vaarwel.

Nooit heb ik de verandering betreurd; de nieuwe werkkring heeft mij veel goeds gebracht: onderhoudende bezigheden. nauwe samenwerking met mannen als Mr. van Tienhoven en Dr. Thijsse. en daarenboven vele trouwe vrienden.
Een half jaar na deze verandering werd mij ook aangeboden als ondersecretaris van de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels op te treden; in 1924 toen mijn oude vriend Dr. J. Büttikofer als voorzitter aftrad en Prof. Swaen hem opvolgde. viel mij de eer te beurt als secretaris verkozen te worden. Ook het werk van deze vereeniging heeft mij alleszins voldoening geschonken en niets zal mij aangenamer zijn. dan dat beide vereenigingen in groei en bloei mogen toenemen. Daartoe is evenwel daadwerkelijke hulp noodig van alle duizenden landgenooten. die het behoud van Nederland's natuurrijkdommen als iets onmisbaars beschouwen.

Het is mij al die jaren een genoegen geweest. anderen door woord of geschrift op te wekken tot waardeering van de natuur. Bovenal hoop ik. met de trouwe hulp van mijn vrouw. onzen kinderen bij te brengen, dat liefde en eerbied voor de natuur een klare bron van levensgenot vormen.'

Terug naar de hoofdpagina over Jan Drijver.