EditRegion4

Z.Y. van der Meer (1904-1978)

Van der MeerDe laatste voorzitter van de Stichting Natuurmonument De Beer was Z.Y. van der Meer. Van der Meer was voorzitter in de laatste periode van De Beer. Van der Meer trad in 1958 toe tot het bestuur van de Stichting Natuurmonument De Beer na het plotselinge overlijden van het bestuurslid baron Schimmelpenninck van der Oye. Nog hetzelfde jaar werd hij, na het terugtreden van Van Steijn, voorzitter van het bestuur. Toen Van der Meer in het bestuur kwam, had hij al een lange, ambtelijke carrière achter de rug.

Een snelle ambtelijke carrière

Zander Yske van der Meer werd op 14 maart 1904 in Nijeholtpade, Friesland, geboren. Hij volgde een opleiding tot civiel-ingenieur en trad in 1928 in dienst bij het ministerie van Waterstaat. Van 1928 tot 1933 werkte hij bij de Dienst Zuiderzeewerken. Zijn carrière was lange tijd nauw verweven met die van ir. J.A. Ringers. Ringers was van 1928-1930 directeur van de Maatschappij tot Uitvoering van de Zuiderzeewerken en daarna van 1930-1935 directeur-generaal van Rijkswaterstaat. Van der Meer was in 1939, onder leiding van Ringers, betrokken bij de voorbereidende maatregelen om bij oorlogsgeweld een ramp in de vesting Holland te voorkomen. Na de Duitse inval benoemde generaal HG Winkelman, op dat moment het hoogste gezag in Nederland, Ringers tot 'Reegeringscommissaris voor het herstel van het verkeerswezen, de drooglegging van onderwaterzettingen, de wederopbouw van steden, dorpen en gebouwen, en al hetgeen daarmede samenhangt'. Later heette dit de Algemeen Gemachtigde voor den Wederopbouw. De onder Ringers ressorterende dienst heetteal snel de Wederopbouwdienst. Ringers belaste Van der Meer, samen met Keller en Mouton, met de dagelijkse leiding van de Wederopbouwdienst. Van der Meer was ook actief betrokken bij de oprichting van de Rijksdienst voor het Nationale Plan. Zo was hij in oktober 1940 aanwezig bij voorbereidende besprekingen over op deze op te richten dienst. Toen in 1941 de Rijksdienst voor het Nationale Plan ontstond, werd Van der Meer lid van de Vaste Commissie van deze dienst als vertegenwoordiger van de Algemeen Gemachtigde voor den Wederopbouw.

In 1946 volgde Van der Meers benoeming tot directeur-generaal van de Volkshuisvesting (later met de toevoeging Wederopbouw) op het ministerie van Openbare Werken (en Wederopbouw) waar Ringers de scepter zwaaide. In deze functie maakte Van der Meer ook deel uit van het College van Algemene Commissarissen voor de Wederopbouw. De functie van directeur-generaal zou hij vervullen tot 1954. In oktober 1954 werd Van der Meer voorzitter van de Vaste Commissie van de Rijksdienst voor het Nationale Plan. De vice-voorzitter omschreef bij het begin van deze vergadering Van der Meer als iemand met een 'lange, ambtelijke ervaring' en ook 'de belangen van de planologie en in het bijzonder ook van wat zou kunnen worden genoemd de hogere planologie in handen van de voorzitter veilig zullen zijn gesteld.'

De plannen komen op tafel

Van der Meer en BernhardIn de vergadering van de Vaste Commissie van 25 oktober 1955 was een 'Concept-brief aan de minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid inzake de ontwikkeling aan de Rotterdamse Waterweg' aan de orde. In de discussie over dit onderwerp merkte commissielid Cosquino de Bussy op: '.. dat het hier [=het graven van een haven op de punt van Rozenburg ] gaat om een evidente noodzakelijkheid vanwege de grote nationale belangen die met de ontwikkeling van Rotterdam zijn gemoeid.' Voorzitter Van der Meer merkte hierbij op: 'dat er geen misverstand over mag bestaan, dat de tankerhaven, […] reeds lang door de commissie als een feit is aanvaard, dat niet discutabel meer is.' In de vergadering van 6 september 1956 sprak prof. ir. J.T. Thijsse, lid van het bureau van de Rijksdienst van het Nationale Plan, over de 'Ideeën over de ontwikkeling van haven en industrie op de Maasvlakte'. In de vergadering van 20 september deed de secretaris een 'mededeling'. Dit is genotuleerd als: 'De secretaris doet enige mededelingen over een bijeenkomst van een aantal ministers onder voorzitterschap van de minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid over een verzoek van de gemeente Rotterdam aan de minister van Financiën om te mogen beschikken over de rijksgronden op de kop van Rozenburg ten behoeve van industrievestigingen, met name voor een ertsoverslagbedrijf.' Het is duidelijk dat in dit stadium binnen de Rijksdienst voor het Nationale Plan - en dus ook bij Van der Meer, ook logisch, gezien de rol van dit orgaan - al volledige duidelijkheid bestaat over de plannen voor de Rotterdamse haven en de consequenties ervan. Van 1965 tot april 1971 was Van der Meer voorzitter van de Rijksplanologische Commissie, in feite de opvolger van de Vaste Commissie. Uit hoofde van zijn functie was hij vanaf 1954 tevens voorzitter van de Planologische Werkcommissie voor het Rampgebied in Zuidwest-Nederland en van de belangrijke Werkcommissie Westen des Lands. Uit hoofde van zijn functie had van der Meer veel contacten; zo ook met prins Bernhard (zie foto)

Van der Meer moet volledig op de hoogte zijn geweest

Familie Van der MeerHet is onvermijdelijk dat Van der Meer uit hoofde van zijn functies vrijwel volledig en ook actueel op de hoogte moet zijn geweest van de plannen voor de uitbreiding van de Rotterdamse haven. Des te merkwaardiger waren daarom de uitspraken van Van der Meer in de Contact-Commissie, waarin hij eveneens zitting had. In de vergadering van 25 maart 1959 merkte Van der Meer op: 'Naar mijn mening zal het ornithologisch belangrijkste deel van De Beer nog tientallen jaren behouden kunnen blijven. Tegen de aanleg van Europoort als zodanig is niet veel meer te doen. Pas wanneer de z.g. Beerhavens worden aangelegd, gaat De Beer totaal verlopen.' Verder zei Van der Meer dat hij was getroffen door de 'pessimistische sfeer' in het bestuur. En twee jaar later, 1961, zei Van der Meer in diezelfde Contact-Commissie: 'Het is dan ook denkbaar dat De Beer nog geruime tijd min of meer in tact zal blijven.' Hoe lang die 'geruime tijd' duurt, weten we nu: minder dan drie jaar. Van der Meer was een veelvuldig bezoeker van De Beer; zelfs toen de ontmanteling van De Beer al in volle gang was (zie foto).

Bij de opheefing van de Stichting Natuurmonument De Beer in 1974 werd groots uitgepakt. Er werd een speciale dag georganiseerd, waarbij ook Van der Meer, dan 70 jaar, veel lof kreeg toegezwaaid. Hij was de langst zittende voorzitter van de Stichting Natuurmonument De Beer. En ook degene die van alle voorzitters het meest zijn stempel op de gang van zaken heeft gedrukt. Van der Meer is in 1978 overleden.

 

19062009