EditRegion4

2. Alleen lachsterns

20 juni 1954 

Het schemerde nog toen wij die zondagochtend de Groene Kruisweg affietsten richting Oostvoorne en De Beer. Juist in het open stuk tussen Poortugaal en Hoogvliet met nergens schuilgelegenheid kregen wij een zware regen- en onweersbui over ons heen. Later viel te lezen dat de bliksem een onder Poortugaal buiten met zijn koeien bezig zijnde boer noodlottig was geworden. In de loop van de dag knapte het weer aardig op, zodat we redelijk opdroogden. Vast hadden wij ons voorgenomen ons die 20ste juni helemaal toe te spitsen op het zien van Lachsterns. Van die graalsoort, een van de kroonjuwelen van De Beer, moest het vandaag eindelijk komen. Dus die 20ste juni geen afslag naar beloftevolle vogeloorden in de buurt. Wel voorbij Zwartewaal een rustende Steenuil. In Oostvoorne namen we even tijd om na te gaan of de Grauwe Klauwier er nog zat. Aan de dorpsrand, tussen het Zwartelaantje en de Noordweg, hield die zomer opnieuw een paartje territorium. Het mannetje zat op een van zijn uitkijkposten, dus het zat goed. Maar het besluit viel vandaag aan de in het Reigersnest broedende Hop geen tijd te besteden. Dat besluit viel gemakkelijk(er) omdat die enigmatische soort ons eerder die maand ten deel was gevallen.

Dus ging het door naar de Brielse Dam waar we, tegen Rozenburg aan, een ons inziens kansrijke plek kozen op de kruin van de vier jaar eerder voltooide afsluitdam. Vóór lag het Zuidslik (Wijde Slik) en verder De Beer. Links het Brielse Gat. Achter ons de brede en diepe oeverstrook van de inmiddels verzoete Brielse Maas, een uitgestrekt gebied met namen als Ganzenkreek en Vogelplaat, waarvan de bodem nog steeds zilt was. En hoe vogelrijk was dit voormalige getijdenslik nog steeds, tot broedende Kemphanen toe! Tot ons was gekomen – hoe ben ik kwijt – dat de op De Beer broedende Lachsterns (in 1954 vier paren) regelmatig daar kwamen foerageren, waarbij ze dan vice versa hun broedplek op De Beer de Brielse Dam passeerden.

In afwachting van de begeerde Lachsterns geen moment verveling. In het Brielse Gat zwom een Grote Zeeëend, bepaald ongewoon voor de langste dag van het jaar. Op het Zuidslik foerageerden steltlopers, afkomstig van noordelijker breedten. Ze waren òf net gearriveerd òf overzomerden er. We telden twee Zilverplevieren, wat Bonte Strandlopers, vier Zwarte Ruiters en een Regenwulp. Voorts stonden er 23 Lepelaars, een soort die zestig jaar geleden heel wat ongewoner was dan anno heden en in het dagboek dan ook een onderstreping meekreeg. Aan de binnenzijde van de dam was het ten minste zo onderhoudend. Langs de oever van de Brielse Maas vlogen twee juveniele Dwergmeeuwen en dan was er natuurlijk het spektakel van broedende Scholeksters, Kieviten, veel Tureluurs en wat Grutto's, Kemphanen en ook Bontbekplevieren. Op zeker moment viel een roepende Witgat in, een steltloper die rond de 20e juni waarschijnlijk al aan zijn najaarstrek was begonnen. Er vlogen Bruine Kiekendieven en ook een man Grauwe Kiekendief. Van die laatste zouden wij thans aardig paf staan, zeker in juni. Toen minder. Tinbergen c.s. schrijven in Het Vogeleiland dat in de jaren twintig van de vorige eeuw alleen tijdens de voor- en najaarstrek op De Beer Grauwe Kieken te zien waren. In de periode 1950-1960 zagen wij deze wondermooie roofvogel nogal eens, ook onderweg van en naar De Beer. Jan van Tussenbroek schrijft dat ze kort na WOII in de buurt van Voorne bepaald gewoon waren. Toen enige tijd na de oorlog de jachtrechthouder van de duinen tussen Rockanje en Oostvoorne terugkeerde, gingen diens meegekomen jachtopzieners direct aan de slag de soort daar te 'ruimen'.

Lachsterns?

Maar de Lachsterns, waar het die 20ste juni allemaal om was begonnen? Tot driemaal toe zagen wij tijdens de uren op de Brielse Dam sterns voorbijvliegen waarvan de eerste ingeving was 'dat is er eentje'. Omdat ze alle drie op afstand passeerden en de soort een première voor ons was, ontbrak de volle overtuiging en bleef een lichte twijfel knagen. Vaststond wel dat onze suspecte sterns geen Grote Sterns waren, die ook boven het Brielse Gat rondvlogen. Maar er waren ook Visdieven en een paar soorten meeuwen. Tijdens de voorbereidingen op het welslagen van onze lachsternodyssee hadden wij onszelf ingescherpt dat de soort meer weg had van meeuwen dan andere sterns. Op zeker moment meenden we even een onbekende roep te horen, een 'kè-hèg-hèg', een geluid dat met wat goede wil inderdaad als een soort gelach kon worden bestempeld, waaraan deze stern zijn naam dankt, althans zijn Nederlandse. Hier ontbrak pure routine met deze soort en vooral ook het gemis aan goede apparatuur en andere uitrusting die de vogelaar anno heden meesjouwt. Nu, zestig jaar later, na op vijf continenten ervaringen te hebben opgedaan met deze kosmopoliet, herkennen we Lachsterns op grote afstand, zeker wanneer ze in de nazomer op de hen karakteristieke wijze boven de sloten tussen 't Zand en Schagen in de weer zijn. Elk jaar prijzen de vogelaarvrienden die er in 1954 ook bij waren en ik ons gelukkig dat een deel van de laatste tientallen paren die Noordwest-Europa nog herbergt, dan een paar weken in de Kop van Noord-Holland pleisteren. Elk jaar gaan we naar ze toe, ons ervan bewust zijnde dat de herinnering aan De Beer mede de oorzaak is van deze pelgrimage.

Door onze twijfels begonnen wij in de namiddag toch niet handenwrijvend aan de fietstocht terug. Kort nadien kwam alsnog de definitieve triomf. Een van het 20 juni gezelschapje, Herman Stubbe, was een paar dagen later alweer op De Beer waar hij, in gezelschap van een autoriteit, Lachsterns zag. Hij kwam terug met de boodschap 'jongens, geen twijfels, wij hebben ze vorige zondag ook gezien. En ook al eerder….'. Trouwens, later die zomer zouden we ze wederom zien.

Overigens waren de Lachsterns van De Beer in 1954 al hun nadagen. Peter Meininger c.s. geven in hun waardevolle 'Kustvogels in het Noordelijke Deltagebied' de hele historie in extenso weer. In 1955 herbergde het Natuurmonument nog twee of drie paren. Het jaar daarop, toen Rotterdam binnenskamers al druk in de weer was met heilloze plannen, werd op 25 mei een nest met twee eieren gevonden, een nest dat echter de dag daarop foetsie was. Daarmee was het met de Lachstern als broedvogel exit. In 1957 zagen we op 19 mei nog wel een vogel boven het Zuidslik. En het volgende jaar, in 1958, zagen we daar op 30 augustus aan het einde van de dag een groepje van vijf Lachsterns bij elkaar. Dat moeten echter doortrekkers zijn geweest.

Lachsternpaar met jong

Lachsternpaar met jong op De Beer, 1949. Met de Morinelplevier was de Lachstern de specialiteit van De Beer. Dat ze daar konden broeden werd voor het eerst vastgesteld in 1931. In die tijd zaten er honderden paren in Noord-Denemarken. Hoewel cosmopoliet, broeden ze tegenwoordig in Noordwest-Europa uitsluitend in Sleeswijk-Holstein en dan nog maar met enkele tientallen paren. De kans dat ze ooit nog eens als broedvogel terugkeren naar Nederland is gering, maar niet helemaal uitgesloten. Foto S. de Waard.

 


16122012