EditRegion4

3. Hunkeren naar De Beer

6 september 1956 

In de loop van 1956 kregen de ideeën die het Rotterdamse Gemeentelijk Havenbedrijf in petto had met Rozenburg en De Beer meer bekendheid en kwamen er 'echte' plannen in plaats van schetsen. Het woord Europoort werd een begrip, zij het voor ons vogelaars, voor wie op De Beer de graalburg stond, meer een vloek. Na de veenbrand aan geruchten werd wel duidelijk dat de plannen zowel politiek als in de media op een zodanig draagvlak konden rekenen, dat alle lichten in de wegbewijzering naar het einde van De Beer brandden. Weliswaar orakelde burgemeester Van Walsum dat Rotterdam wel zou zorgen voor compensatie, maar de man wist niet waarover hij het had. De vooruitzichten voor het landschap en de vogels van De Beer waren omineus, nog ervan afgezien dat wij ons meest bezochte excursiegebied zouden kwijtraken.

Waren de heilloze Rotterdamse plannen er de oorzaak van dat de excursiefrequentie naar De Beer vanaf najaar 1956 nog meer toenam? Ik denk het wel. Tussen 1 september en 30 november 1956 ging het 16 maal die kant op. Tijdens het kerstverlof van militaire dienst driemaal. Vanuit Rotterdam-Zuid was het met de Vespa-scooter drie kwartier rijden tot de voordeur van Korfmaker, zodat het gebeurde dat ik de beide weekenddagen de Groene Kruisweg aftufte. Overwogen werd zelfs in de bunkers van de Atlantikwall te overnachten. Daarvan kwam het niet c.q. werd te riskant gevonden. Het gerucht ging dat eerder de NJN-er Wim Penning dat staaltje wel had uitgehaald, zulks met het doel om een op De Beer rondzwalkende Zeearend te zien. Later, na 1960, zetten we voor het vangen en ringen van trekvogels in de nazomer wel op De Beer onze tenten op. Met instemming van Korfmaker, die trouwens enthousiast de uitstaande nylonvangnetten langsging.

Uit de rij van de 1956 najaarsexcursies eerst die van donderdag 6 september, een dag dat de onrust om naar de kust te gaan zo opspeelde dat alles opzij ging, op het onverantwoorde af. Die niet te weerstane drang had te maken met een influx van Bonte Vliegenvangers van een omvang die ik voordien en nadien nooit meer meemaakte. Nu, bijna zestig jaar later, lees ik verbaasd dat zich in het stadstuintje bij de ouderlijke woning in Rotterdam-Vreewijk op 3 september 1956 vijf Bonte Vliegenvangers ophielden, twee dagen later twee en dat ging zo door tot 8 september.

Thans moet ik het in verreweg de meeste nazomers zonder Bonte Vliegenvangers doen. Wat wij in die eerste septemberdagen van 1956 meemaakten, was wat Engelsen aanduiden met een fall, een verschijnsel dat op trek zijnde vogels onderweg enige tijd stoppen. Weersomstandigheden kunnen daarbij een rol spelen. Omdat veel vogelsoorten ongeveer tegelijkertijd op trek gaan, kan het dan op zeker moment op een locatie op de trekroute wemelen van exemplaren van die bewuste soort. Begin oktober 2012 was dat het geval met Pimpelmezen op de Zweedse zuidpunt Falsterbo. In zeven dagen passeerden daar 237.980 Pimpelmezen, waarvan 87.400 exemplaren op 1 oktober. In het gehele najaar 2011 kwamen er slechts 420 Pimpelmezen voorbij Falsterbo. Om even bij grote aantallen te blijven: tot en met 7 oktober 2012 waren er al bijna twee miljoen Vinken langs Nabben, de naam van Zwedens zuidpunt getrokken.

Blauwborsten

'Wanneer het in Rotterdam Zuid wemelt van de Bonte Vliegenvangers, hoe zal het dan niet op De Beer zijn?' waren de onrustgevoelens. Dus Luuk Draaijer en ik tuften die 6de september opnieuw de Groene Kruisweg af. Mijn werkgever had een incorrect alibi op de mouw gespeld gekregen om mijn afwezigheid te rechtvaardigen. Desondanks voelde ik mij niet schuldig. Het werd een grandioze middag, waarbij wij niet verder kwamen dan het Reigersnest, de Brielse Dam, het Zuidslik en vandaar een wandeling over de altijd verleidelijke scheidingsdijk richting Schuilhuisje, met op rechts de Pan- of Krimpolder.

Afgezien van circa 30 Bonte Vliegenvangers, noteerden wij die middag 40 Paapjes, 30 Tapuiten, 23 Gekraagde Roodstaarten, ook Grauwe Vliegenvangers en, een zeer welkome première op onze lifelist, drie Blauwborsten, die een dubbele onderstreping meekregen in het dagboek, met de nadrukkelijke toevoeging 'witgesterd'. Er was ook een Grauwe Klauwier.

Thans, bijna zestig jaar later, in een periode waarin ik er steeds meer van overtuigd geraakt ben dat een heel contingent aan zomervogelsoorten ontstellend zijn afgenomen, komen aantallen als 40 Paapjes bijna ongeloofwaardig voor. Maar om de lezer niet een complex te bezorgen hierbij de verzekering dat Luuk en ik van die melkweg aan Tapuiten, Paapjes en Bonte Vliegenvangers toen ook aardig paf stonden. En dan hadden we in feite maar een heel klein deel van De Beer aangedaan. We telden ook circa 70 Gierzwaluwen, voor zo'n aantal aardig laat in het seizoen en voor ons een bevestiging dat er iets ongewoons aan de hand was. Trouwens, later die maand, op 22 september, vlogen er nog steeds Gierzwaluwen boven het Groene Strand.

Op het Zuidslik was er de traditionele steltloperparade, waarbij opmerkelijk veel Wulpen en Kluten. In het dagboek staat bij de Zilverplevier vermeld het woordje 'prachtkleed', de aanduiding die Zien is kennen gaf voor het broedkleed. Tegenwoordig is het 'zomerkleed', zij het dat bij een Zilverplevier de omschrijving prachtkleed alleszins opgaat. Voorts stonden er vier Lepelaars, vlogen er nog Dwergsterns boven het Brielse Gat, waar ook een Middelste Zaagbek rondzwom. Aan roofvogels leverde die 6de september op twee Bruine Kiekendieven, een Torenvalk en een toen naar onze smaak verrassend vroeg Smelleken. Tevreden ging het terug de Groene Kruisweg af. Begrijpelijk dat De Beer in september 1956 zesmaal het excursiedoel was!

Deel van de Chinese muur

De Chinese muur was een lelijk en door zijn omvang helaas gezichtsbepalend element op De Beer. Het omvangrijke bouwwerk was als onderdeel van de Atlantikwall in de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter aangelegd. Foto W. de Bruin.

Zuidslik

Zuidslik aan de Brielsche Maas, 1949. Op de achtergrond rechts van het midden de stompe toren en links het baken. Foto F. Kooijmans.

Scheidingsdijk

Voor ons Rotterdamse vogelaars leidde de in de oorlog aangelegde Scheidingsdijk tussen het Wijde Slik en de Pan of Krimpolder naar het Mekka. Aan het einde van die bewuste dijk stond het Schuilhuisje, waarin nogal eens een assistent-bewaker zat om te controleren of er niet via de dijk personen De Beer opgingen. Vaak stonden wij op de plek waar de scheidingsdijk de Brielse Dam bereikte te twijfelen of we al dan niet De Beer zouden opgaan. Gebeurde dat wel, dan was dat dus in feite illegaal. Vanaf circa 1960 gebruikten we het Schuilhuisje als hoofdkwartier bij de ringactiviteiten. Foto F. Kooijmans.

 


16122012