EditRegion4

Artikel uit Rotterdams Jaarboekje

Download als pdf

Bezoek aan den Hoek van Holland en het eiland Overflakkee

Uit een artikel van G. Mees Azn in de Zuid-Hollandsche Volks- Almanak voor het jaar 1839.
Opnieuw gepubliceerd in het Rotterdamsch Jaarboekje 1952, 179-181.

Nimmer hadden wij den Hoek van Holland gezien en besloten den goed gebaanden weg daarhenen in te slaan. Bij verkwikkend zomerweder reden wij over Schiedam, Vlaardingen en Maassluis, langs heerlijke weilanden of voorbij de oevers der klotsende Maas naar het overoude 's-Gravesande en weldra was het besluit om naar den Hoek te wömfe/e« genomen. Van het dorp zochten wij het naaste pad naar de duinen, klommen daarover en gingen nu langs de kust, waar de bolle zeewind ons verkwikkend tegen woei. Gelijk alle landen welke aan zeeën en den uitloop van groote rivieren liggen, heeft ons vaderland de zonderlingste en dikwijls schrikverwekkendste veranderingen ondergaan. Hoeveel gronds heeft de Oceaan niet afgeknaagd en bedolven! Hoe ontzettend klinkt de voorspelling dat wij “eindelijk met ons land zullen verzinken” (1)

De plaats waar wij ons bevonden, levert treffende bewijzen van dat af- en aanspoelen, dat afknabbelen en verzanden. Hoeveel lands de golven vóór ons bedekken, gevoelt men, zoo men weet, dat om de helft der 18e eeuw in één menschen leeftijd 1600 schreden lands, bij Terheide, verloren werden. Al voortwandelende waren wij echter dat gedeelte der kust genaderd, hetwelk men den eigenlijken Hoek van Holland noemt en als een punt, in eene zuidelijke rigting, ver in zee strekt. Van deze gansche uitspringing was in 1606 nog geen spoor te ontdekken en het is als of het zand, van den westelijken oever afgevijld, zich hier weder heeft gezet. Na twee en een half uur gaans bevonden wij ons aan de uiterste punt van het vaste land onzer Provincie. De toren van den grijzen Briel verhief zich boven het tegenover ons liggend eiland van Voorne en aan den gezigteinder scheen de Goedereesche vuurbaak als op den spiegel des Oceaans te rusten.

Aan onze voeten stortte de Maas zich in zee, doch welk een verschil tusschen den uitloop gelijk hij zich thans aan ons oog vertoonde, met dien van de tijden van Maurits. Gewis driedubbele breedte had zij toen, deels door de mindere vooruitstrekking der Brielsche kust, deels en vooral door het geheele gemis van den Hoek van Holland. De zee schonk door het opwerpen van dien Hoek, welke zich in 1730 reeds geheel gevormd had, het vaderland eenige bunders meer, doch bewees aan Rotterdam eene slechte dienst. De Maasmond, welke in 1690 nog voor groote schepen bevaarbaar was, werd alleen voor kleinere toegankelijk…

De zon had, terwijl wij deze bijzonderheden bespraken, haar toppunt bereikt en wij dachten aan onzen terugtogt. De geheele Hoek lag nu voor ons, tallooze ossen en paarden waren over de zandvlakte verspreid, sommige stonden bij hoopjes zich in zee te verkoelen, anderen lagen gerust daarneder, terwijl een gedeelte zich naar de duinen spoedde om de distels en kruiden, waarvan zij te ver waren afgedwaald, weder te vinden. Deze vlakte strekt zich van de duinen tot aan de zee, met gevallen water, een vol uur in de lengte en voorzeker anderhalf in de breedte uit. Hoe verder wij op dezelve kwamen, hoe minder ons de zeewind kon verfrisschen; zeer welkom ware een teug water of eenige beschutting geweest. Het was eene volslagene zandwoestijn en het nut van den moedigstappenden kameel kwam ons onwillekeurig voor den geest, als wij gewaar werden, hoe de duinen, waarop wij aanhielden, zich eerder schenen te verwijderen dan nader te komen, wij de, door het schitteren der witte schelpen, vermoeide oogen bedekten, en, in het geheim, over onze vaderlandsliefde, welke ons nu zoo doet gloeijen, nadachten.

Eindelijk toch bereikten wij den langgewenschten zandheuvel, zetten ons een oogenblik neder en overzagen nog eenmaal de kust. Zeer verbolgen is hier de Oceaan, als het uit het Westen buldert. De eigenlijke Hoek heeft door de groote vlakte, welke zich vóór de duinen uitstrekt en de kracht der golven breekt, minder te duchten, doch van het uiterste gewigt zijn deze duinen, welker verstuiving of doorbraak een aanzienlijk deel van Zuid-Holland onder water zoude zetten. Zij zijn dan ook met zorg onderhouden en langs bijna geheel het strand, zoover onze wandeling gestrekt had, met stroo beplant... Wij spoedden ons nu, niet langs het strand, maar door het duin, naar onze bestemming. Een rood dak verstrekte ons ter baak; tot hetzelve gekomen, zagen wij dat het eene boerderij, het Kaaphuis genaamd, was, waarvan de bewoner ons gastvrij op melk onthaalde, doch zich ontevreden toonde, toen wij meenden, dat zijne stee in het duin lag; “neen aan het duin” zeide hij met nadruk, als wilde hij ons doen opmerken, dat de door hem beploegde akkers zich voor ons uitspreidden...

(1) Bilderdijk, Geschiedenis des Vaderlands I, 24

 


24122012