EditRegion4

Van Oordt over de Lachstern

LachsternVan Oordt schreef in 1931 in Ardea een artikel met als titel 'Drie nieuwe Nederlandsche broedvogelsoorten' (zie ook onderaan de pagina voor een verwijzing naar het volledige artikel). Een van de soorten die Van Oordt beschreef, was de lachstern. De letterlijke tekst van het deel over de lachstern staat hieronder.

2. De Lachstern [Gelochelidon nilotica (Gm.)]

De Lachstern, die gedurende de laatste jaren dikwijls als doortrekker in ons land geconstateerd werd, heeft in 1931 voor het eerst bij ons gebroed en weI in een paar aan den Hoek van Holland, waar de bewaker, S. de Jager, vroeger de soort in Mei, doortrekkende, en thans voor het eerst broedende waarnam.

De heeren Schimmelpenninck van der Oije en Haverschmidt bezochten de broedplaats op 4 Juli. De heer Haverschmidt meldt mij hierover: 'De Lachstern maakte zich toen wij in de buurt van het nest kwamen al spoedig kenbaar aan zijn karakteristiek, ongeveer als "kawe, kawe" klinkend geluid. Tusschen de alarmeerende Vischdieven viel de forsche vogel onmiddellijk op door zijn korten staart, vrij breede meeuwachtige vleugels en den plompen, geheel zwarten snavel. Van onderen bezien leken de vleugeltoppen aan de onderzijde donker. Het legsel bestond uit 2 eieren, die zonder eenig nestmateriaal in een ondiep kuiltje in het zand lagen. Het is echter niet onmogelijk dat er weI een nest geweest was, doch dat dit door het stuivende zand geheel bedekt was geworden. Slechts een Lachstern liet zich zien en hooren en nadat wij op eenigen afstand waren gaan liggen, zagen wij den vogel reeds weer op zijn nest zitten, waarbij thans vooral de dikke geheel zwarte snavel goed te zien was. Eenige dagen tevoren was hg door den heer Burdet gefilmd'.

Uit het feit, dat jonge, vlugge Lachsterns door de oude vogels gevoed worden, mag men niet de conclusie trekken, dat de soort in de nabijheid zou gebroed hebben, omdat deze soort evenals de Groote Stern gewoon is de jonge exemplaren ver van de broedplaatsen nog steeds te voeden. De dichtstbijgelegen broedplaatsen van deze soort vindt men in Jutland, Beieren en de Camargue. Een goede foto van dezen vogel bij het nest staat in Ardea, Dl. 16, 1927 en van het legsel in het Orgaan v. d. Club v. Ned. Vogelkundigen, Dl. 4, vol. 1, 1931.

Bovenstaande tekst is overgenomen uit het tijdschrift Ardea en is gepubliceerd met vriendelijke toestemming van de Nederlandse Ornithologische Unie.

 

Oordt, G.J. van (1931) Drie nieuwe Nederlandsche broedvogelsoorten. Ardea 20, 150-152.

 

 

28122012